Aangezien velen aangaven dat ze mijn Masterproef wel eens wilden bekijken, stel ik hem bij deze online beschikbaar. Gratis en voor niks. Hier!
“Jobs, jobs, jobs”. Zo klonk het mantra van Guy Verhofstadt tijdens zijn verkiezingscampagne in 2003. Centraal in de regeerverklaring van Verhofstadt-II: 200.000 jobs in 4 jaar. Ook in de campagne van 2007 werd veel aandacht geschonken aan de arbeidsmarkt, de tegenstellingen tussen de Vlaamse en de Waalse in het bijzonder. Op 2 april van dit jaar titelde De Morgen: “Vlaamse werkloze man is stilaan een zeldzaamheid”. Wat de werkgelegenheidsgraad betreft, blijkt het plaatje net iets minder fraai.
De overeenstemming over de noodzaak van het optrekken van die werkgelegenheidsgraad lijkt al jaren groot in de Wetstraat en maar goed ook: de vergrijzing staat voor de deur en de 70-procentnorm voor de werkgelegenheid, vooropgesteld als streefdoel door de Europese Raad van Lissabon in 2000, is op het Belgische niveau nog niet gehaald. Over het recept om die doelstelling te halen lijkt in de Belgische politiek die overeenstemming er minder. Verschillende ideologische uitgangspunten en verschillende maten van voluntarisme staan tegenover elkaar. In de economische literatuur blijkt het niet anders te zijn: vanuit verschillende invalshoeken worden werkloosheid en werkgelegenheid in verschillende landen verklaard, gaande van een overheersend effect van verschillende belastingssystemen tot culturele verschillen. Verhofstadt en De Wever, Prescott en Blanchard: protagonisten in hetzelfde toneelstuk, uitgevoerd in een ander theater, voor een ander publiek.
Een bijzondere aantrekkingskracht ging de afgelopen jaren uit van de hoogte van de arbeidsbelastingen als determinant van de hoogte van werkloosheid en werkgelegenheid, vanuit de observatie dat arbeidsmarktperformantie in Amerika resp. Europa vanaf de jaren ’60 sterk begon te divergeren terwijl de belastingen in Europa gemiddeld veel sterker stegen dan in Amerika. Het belang van belastingen als determinant wordt echter betwist door vele auteurs en ook econometrisch (de econometrie is het statistische werkpaard van de economie) is er onvoldoende evidentie: de hoogte van de belastingen is als determinant ontoereikend om verschillen tussen landen te verklaren. Andere onderzoeken richtten zich in hun verklaring van werkloosheid en werkgelegenheid dan weer op de arbeidsmarktkenmerken (vakbondsdensiteit, arbeidsbescherming, coördinatie tussen de sociale partners…) van de verschillende economieën. Het is duidelijk dat arbeidsmarktkenmerken, net als belastingen, de uitkomsten op de arbeidsmarkt beïnvloeden, maar ook wat deze kenmerken betreft, bestaat er in de literatuur inzake de directe effecten veel discussie. Bovendien kunnen arbeidsmarktkenmerken zeer moeilijk de evolutie in werkloosheid en werkgelegenheid over de tijd verklaren aangezien ze voor de meeste landen slechts in beperkte mate wijzigden: ze waren al sterk aanwezig in Europa toen de werkgelegenheid er nog hoger was dan in de VS.
Veelbelovend (b)lijkt dan ook de verklarende kracht van de combinatie van, of – beter nog – de interactie tussen, arbeidsmarktkenmerken en belastingen. Samen bepalen zij immers de kost van arbeid en oefenen ze invloed uit op de vraag ernaar. Alvast theoretisch lijkt het daarenboven logisch dat waar de arbeidsmarkt competitief is, belastingsverhogingen makkelijker op de arbeiders afgewenteld worden dan in een minder competitieve arbeidsmarkt, waar, bijvoorbeeld door sterke regulering of onder impuls van sterke vakbonden, ook de bedrijven mee de verhogingen opvangen, met gevolgen voor de arbeidsvraag. Een blijvende belastingsverhoging zal in minder competitieve arbeidsmarkten vertaald worden in een blijvende toename van de werkloosheid.
Eigen econometrisch onderzoek heeft zich gericht op het vinden van stabiele interacties tussen belastingen en arbeidsmarktkenmerken die de arbeidsmarktperformantie beïnvloeden, waarbij eigen ‘proxies’ voor verschillende variabelen (belang van de zwarte markt, niveau van de vakbondsonderhandelingen…) werden gebruikt. 34 modellen werden gebouwd en evenveel regressies werden uitgevoerd, waarna werd nagegaan welke interactie-effecten, op basis van hun robuustheid doorheen de regressies, hun plaats verdienen in de verklaring van werkloosheid en werkgelegenheid.
Dat het niveau waarop loonsonderhandelingen gevoerd worden een invloed heeft op de impact die een belastingsverhoging of –verlaging heeft op werkgelegenheid en werkloosheid, is duidelijk. De robuustheid van de resultaten van eerdere econometrische werken kon echter niet geschraagd worden. In combinatie met een hoge graad van arbeidsbescherming werd voor landen met sterke decentrale vakbonden eerder een robuust positief interactie-effect op werkgelegenheid met belastingen gevonden: sterke, decentraal georiënteerde vakbonden zorgen in combinatie met sterke arbeidsreglementering voor een gematigd effect van belastingen op werkloosheid. De invloed van een sterke coördinatie bij hoge belastingen werd, in de lijn van bepaalde bijdragen, wel helemaal bevestigd: een structureel overleg tussen de sociale partners is essentieel om te voorkomen dat een belastingsverhoging de werkloosheid sterkt doet stijgen.
Nog belangrijker dan de empirische bevestiging van het feit dat hoge belastingen worden afgezwakt waar de coördinatie hoog is en de bevinding dat hetzelfde matigende effect optreedt waar sterke decentrale vakbonden en hoge arbeidsbescherming gecombineerd worden, lijken de overweldigende empirische resultaten in het eigen onderzoek bij de schatting van het interactie-effect tussen arbeidsbelastingen en de mate van niet-productieve overheidsbestedingen (de mate waarin de overheid haar middelen inzet voor uitkeringen en overheidsconsumptie verminderd met onderwijskosten). In alle geschatte modellen wordt een sterk significante aanwijzing gevonden dat hoge belastingen meer negatief effect hebben op werkgelegenheid, wanneer de door die belastingen gegenereerde inkomsten niet productief worden ingezet. Het ontbreken van dit element in de besproken eerdere empirische bijdragen, lijkt dus een belangrijke lacune.
De arbeidsmarkt is duidelijk geen verzameling van onafhankelijke elementen is. Dat het lichtzinnig is te denken dat haar performantie wel te verklaren is door enkele onafhankelijke elementen, was dan ook de grondgedachte van mijn Masterproef, de these. De strijd om de verklaring van werkloosheid en werkgelegenheid, aan de hand van belastingen, arbeidsmarktkenmerken en de interactie tussen beide, is dan ook nog lang niet gestreden. Toch lijken er voldoende gronden om te stellen dat alvast een sterke coördinatie en een productieve besteding van de overheidsmiddelen een sterk matigend effect hebben op de invloed van belastingen op werkloosheid en werkgelegenheid.
Recente reacties